Sociaal-culturele en economische context
De industriële revolutie die aan het begin van de 19de eeuw volop op gang komt in Gent, brengt met zich mee dat massa’s arbeiders naar de Gentse fabrieken worden gezogen. De fabrieken zijn in het centrum van de stad gevestigd. Dat heeft o.m. te maken met het ruime aanbod van goedkope grote gebouwen die door Napoleon waren geconfisqueerd en met het stedelijke octrooirecht (poortgeld op in- en uitvoer) dat in die tijd geldt. In Gent zijn de fabrieken vooral textielfabrieken.
Hoewel de arbeidersmassa in de stad gedurende de hele 19de eeuw geweldig aanzwelt, vindt de stad het ter zake niet nodig om een huisvestingsbeleid te voeren. Het gevolg van dit non-beleid is dat de werkende klasse wordt weggemoffeld in kleine woonsten van ondermaatse kwaliteit, vaak opgetrokken op een binnenkoer of een achtertuin. In deze zogenoemde beluiken leven de fabrieksarbeiders als haringen in een ton en in slechte hygiënische omstandigheden. Deze slechte huisvesting draagt ertoe bij dat verschillende felle epidemiegolven de stad teisteren.

Over de ellendige huisvesting van de arbeidersmassa’s en de betreurenswaardige gezondheidstoestand van vrouwen en kinderen in de katoenindustrie in het bijzonder wordt in 1848 vernietigend gerapporteerd. Maar tot een huisvestingsbeleid komt het nog steeds niet. Het weinige beleid dat er is, beperkt zich tot het dempen van open riolen en waterlopen en het slopen van de ergste beluiken, wat er in de praktijk op neerkomt dat de bewoners met hun ellende naar andere stadsdelen worden weggesaneerd. Daarnaast duiken er een aantal weliswaar interessante ontwerpen voor afgezonderde werkerswijken (cité ouvrière, familistère, enz.) op, maar verder dan de tekentafel geraken deze niet.
De erbarmelijke huisvesting van de arbeidersmassa’s komt pas tegen het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw echt op de politieke agenda, met de opkomst van de socialistische beweging en het toenemende gewicht van de socialisten in de Gentse gemeenteraad.
Grote delen van de binnenstad worden gesaneerd en heraangelegd onder impuls van (de liberale) burgemeester Emile Braun, die weliswaar veeleer de ambitie heeft om van Gent een moderne Europese stad te maken eerder dan om definitief een einde te stellen aan de ellendige huisvesting van de arbeidersbevolking. Men kan zelfs stellen dat zijn saneringspolitiek de huisvestingsproblematiek nog verscherpte, omdat de herhuisvesting van de weggesaneerden allesbehalve prioriteit genoot.
Pas in 1904 richt het stadsbestuur, samen met twee weldadigheidsinstellingen en een aantal kapitaalkrachtige particulieren de Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen op. Doel van de maatschappij is woningen te bouwen en vervolgens goedkoop aan de arbeidersbevolking te verhuren. De verhuur is een socialistisch geïnspireerde oplossing, katholieken en liberalen vinden het wenselijker dat de werkende klasse een eigen woning kan verwerven (‘Eigen heerd is goud weerd’).
Een van de particulieren die op het startkapitaal van de Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen intekenen, is Eugène de Hemptinne. Bij de start in 1904 is hij een van de bestuurders en is hij nauw betrokken bij het eerste project van de maatschappij: twintig werkerswoningen in de Wilgestraat (Rabot), opgericht naar een ontwerp van stadsarchitect Charles Van Rysselberghe.
Eugène de Hemptinne is een telg uit zowat de belangrijkste textielfamilie van Gent. Hij leidt op dat moment samen met Jean de Hemptinne de SA Ferdinand Lousbergs en voor hun fabriek aan de Ter Platenkaai ondervinden zij – ten gevolge van de door de stad gevoerde saneringspolitiek – grote moeite om geschikte arbeiders te vinden die in de nabijheid van de fabriek wonen.

Het moet zijn dat Eugène de Hemptinne voor de oplossing van zijn personeelsprobleem weinig heil verwacht van de Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen, want al in 1905 stuurt hij bij het stadsbestuur aan op de (openbare) verkoop van een stuk grond op de toplocatie van de in 1903 ter ziele gegane dierentuin. Hij legt zijn personeelsprobleem uit, meldt zijn intentie om ‘een honderdtal’ goed ingerichte werkmanswoningen te bouwen en verzekert dat hij geen speculatieve bedoelingen heeft. De Hemptinne geeft zijn SA Immobilière de L’Escaut een startkapitaal van 500.000 frank mee, exact evenveel als de Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen, die drie jaar nodig had om goed en wel opgestart te raken (1904).
Op de openbare verkoping in november 1905 betaalt de Hemptinne (SA Immobilière de L’Escaut – SA Ferdinand Lousbergs) de relatief hoge prijs van 19 frank per vierkante meter voor lot 27, het eerste stuk van de opgedoekte dierentuin dat verkaveld mag worden. Begin 1906 heeft hij de bouwvergunning voor de ‘Cité de Hemptinne’ op zak en gaat hij aan de slag. De Hemptinne zet zijn vertrouwde equipe aan het werk (o.l.v. Louis Gildemyn) en het werkmanskwartier met 67 woningen is in geen tijd klaar.
Ter vergelijking: de Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen betaalt in 1905 slechts 10 frank per vierkante meter voor haar eerste project in de Wilgestraat (Rabot). De maatschappij, voor haar enorme opdracht zwaar ondergekapitaliseerd, heeft de jaren nadien de grootste moeite om betaalbare gronden te verwerven; op openbare verkopingen overbieden kapitaalkrachtige burgers de maatschappij, naar verluidt meermaals om te voorkomen dat er werkerswoningen zouden worden gebouwd in de nabijheid van hun woonst.
Stadsarchitect Van Rysselberghe moet het probleem van de (gemanipuleerde) hoge grondprijzen – hoog voor de Maatschappij der Werkerswoningen maar niet voor de Hemptinne – uiteindelijk proberen op te lossen met meergezinswoningen en extra bouwlagen. Zo komt hij tot het bekende nabijgelegen huisvestingsproject in de Zebrastraat (1908), de zogenaamde Cirk. De maatschappij slaagde erin tegen de eerste wereldoorlog ongeveer 240 werkmanswoningen te bouwen (waarvan ongeveer 100 op gronden in 1913 geschonken door de Filature Nouvelle Orléans).
Voor de inrichting van de werkershuizen inspireert de Hemptinne zich ongegeneerd op de typewoning die Charles Van Rysselberghe al voor de Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen had ontworpen. De type-inrichting van Van Rysselberghe werd algemeen als zeer kwaliteitsvol aangezien.

Van de verpakking – de gevelcomposities – maakt de Hemptinne een statement van jewelste. Zowat elk huis krijgt een andere gevel, maar per huizenblok vormen de individuele gevels samen een harmonieuze gevelcompositie die leest als een masterclass neotraditionele Vlaamse baksteenarchitectuur. De voor de Cité gekozen toplocatie is op zich al frappant, de inrichting is state-of-the-art en de verpakking is op zijn zachtst gezegd uitbundig en vrolijk.
De hele Cité is m.a.w. een markante onderneming. Het is een provocatie ten aanzien van het stadsbestuur: textielbaron steekt stadsbestuur voorbij. Maar het is ook een sterk statement ten aanzien van de gegoede burgerij die geen arbeiderswoonsten wilde in deze stationswijk met uitgesproken bourgeois allure. De controverse blijft dan ook niet uit.
De bouw van de Cité de Hemptinne is onrechtstreeks mede de aanleiding tot de bouw van de Cirk in de nabijgelegen Zebrastraat. Beide woonconcepten laten door hun locatie, in hun ontwerp en in hun uitvoering twee concurrerende en tegenovergestelde visies over de huisvesting van de werkende klasse zien. De schone, neotraditionele, paternalistische visie van de Hemptinne (en Gildemyn) versus de sobere gerieflijkheid en de al min of meer moderne arbeidersstijl van Van Rysselberghe.
De Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen kan zich zoals gezegd geen topligging veroorloven. De dure grondprijzen – de maatschappij betaalt uiteindelijk toch ook 15,5 frank per m2 in de Zebrastraat – vangt ze op de site van de Cirk op met ‘blokhuizen met menigvuldige woonvertrekken’ en een extra bouwlaag. Bovendien bouwt ze met een sociaal doel: een oplossing bieden voor de massa’s arbeiders van wie het onderkomen uit de binnenstad is weggesaneerd.
De Hemptinne daarentegen ziet in het concept van de cité ouvrière de pragmatische oplossing voor een personeelsprobleem (tegenwoordig recruitment & retention management genoemd). Hij ziet in fatsoenlijke personeelshuisvesting de voordelen voor zijn eigen bedrijf en steekt zijn oplossing in een uitbundige verpakking die strookt met de ‘deftige’ omgeving.

Dit project is een ongegeneerde provocatie van een kapitaalkrachtige textielpatron die het publieke initiatief ostentatief voor de wielen rijdt en een uitgesproken statement maakt ten aanzien van een tegenstribbelende bourgeoisie.