Het is vrijdag 16 juni 1905 en ‘le tout Gand’ maakt zich klaar voor het openingsweekend van wat een zomer vol feestelijkheden gaat worden naar aanleiding van de 75e verjaring van ’s lands onafhankelijkheid. Zondag komt om te beginnen koning Leopold II naar Gent. In de Sint-Baafskathedraal zal hij het Te Deum bijwonen.
Ook de textielbazen Jean en Eugène de Hemptinne maken zich klaar voor het weekend. Maar eerst moeten ze nog een belangrijke brief versturen naar burgemeester Emile Braun. Belangrijk voor “den goeden gang van het werkhuis”. Het werkhuis, dat is de Naamlooze Maatschappij Ferd. Lousbergs, een toonaangevende textielonderneming in de Stad Gent.

Maar het werkhuis heeft een probleem. Niet dat de verkoop niet loopt of dat de aanvoer van grondstoffen stokt, maar de continuïteit van de productie is in het gedrang omdat de fabriek moeite heeft om arbeiders aan te werven. Dat heeft veel te maken met de sanering van de binnenstad die al enkele jaren aan de gang is. Meer precies worden in de binnenstad de beluiken weggesaneerd. De beluiken zijn de ‘beloken’, d.w.z. grotendeels aan het oog onttrokken onderkomens voor de tienduizenden arbeiders die de afgelopen decennia van het platteland naar de stad zijn komen werken in de fabrieken. De leefomstandigheden in de beluiken zijn zo onhygiënisch dat er geregeld epidemieën uitbreken. En als dan het werkvolk ziek is en niet komt werken, dan valt de fabriek stil en doet het ook pijn in de portemonnee van de baas. En dus, zo redeneren Jean en Eugène de Hemptinne, is het ‘voor den goeden gang van het werkhuis’ belangrijk dat onze werkers gezond blijven en dat ze dus ‘in goed ingerichte werkershuizen’ wonen, liefst op wandelafstand van de fabriek.
Eugène de Hemptinne is op dat moment bestuurder van de Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen, die in 1904 werd opgericht op initiatief van de stad. Maar van een echt sociaal woonbeleid is nog geen sprake en er is ook nog maar weinig geld voor voorzien. Het gaat traag en op het terrein is er weerstand; de gegoede burgerij moet niet weten van werkershuizen in de buurt, ook niet als ze ‘goed ingericht’ zijn.
Toch kunnen we niet meer wachten, redeneert de Hemptinne, we moeten nú stoppen met al die beluiken, we moeten het werkvolk er nu uit halen en ‘in goed ingerichte werkerswoningen’ huisvesten. Dat is goed voor de werkers en goed voor de fabriek en mijn winst. Bovendien wil ik niet wachten op initiatieven van de stad. Er is geen daadkracht bij de stad en geen draagkracht bij de burgerij. Met die Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen wordt het too little too late. En dus gaan we het zelf doen. We gaan zelf de grond kopen, we gaan zelf bouwen, en we gaan zelf ons personeelsprobleem oplossen. We zullen eens laten zien wat we kunnen.
En zo voegt hij op vrijdag 16 juni 1905 de daad bij het woord en schrijft hij deze brief aan de burgemeester van Gent, Emile Braun.
“Aan de heeren leden van het College van Burgemeester en Schepenen der Stad Gent.
De Maatschappij Lousbergs ondervindt hoe langer hoe meer moeilijkheden om de aanwerving van haar werkpersoneel te verzekeren. De oorrzaak moet gezocht worden in de opvolgenlijke afschaffing van talrijke werkershuizen, die, over eenige jaaren, in groot getal in de nabijheid van het gesticht te vinden waren.
Het ontwerp tot het opbouwen van het nieuw seminarie zal de afbraak medebrengen van eene nieuwe reeks werkerswoningen.
Over dezen toestand bezorgd, heeft het bestuur van de Maatschappij Lousbergs de mogelijkheid onderzocht om werkershuizen te bouwen in eenen omtrek van 1,000 meters van het werkhuis.
Zij zou te dien einde eene maatschappij van vaste goederen stichten, ten kapitale van 500,000 fr., waarvan slechts een deel zou gestort worden. Men zou toevlucht nemen tot de Spaarkas, welke mild leent aan de maatschappijen tot bouwen van werkerswoningen. De Maatschappij zou aldus onder het toezicht staan van de Spaarkas en zou in geen geval aan de aandeelhouders eenen interest mogen uitdelen boven de 3%.
Daaruit blijkt er dat elk gedacht van speculeering aan deze zaak vreemd blijft. Het eenig doel dat beoogd wordt, is den gang van het werkhuis te verzekeren en tevens aan de werklieden goed ingerichte woningen te verschaffen.
De Maatschappij Lousbergs meent, in deze voorwaarden, zich tot het Gemeentebestuur te mogen wenden met het verzoek welwillend te gelieven onderzoeken of een gedeelte van den grond van den gewezen Dierentuin haar niet zou kunnen worden afgestaan om er werkerswoningen op te richten”. Zij denkt dat men er een honderdtal huizen zou moeten kunnen bouwen, het ware dus eene nuttige oppervlakte van 4 tot 5,000 meters welke zij zou verlangen aan te koopen.
Telles sont les grandes lignes du projet; nous sommes prêt à fournir les renseignements qui vous pourriez désirer.
Dit is in zijn groote lijnen het ontwerp; wij zijn bereid alle inlichtingen te geven welke gij zoudt kunnen verlangen.
Entretemps, Messieurs, nous vous prions de recevoir l’expression de notre parfaite considération.
Intusschen bieden wij u, Mijne Heeren, de uitdrukking van onze volkomene achting.”

